VerDieping | Alles is energie

Twintig bedrijven zijn goed voor een derde van alle CO2-uitstoot wereldwijd. Royal Dutch Shell staat op plaats nummer zeven volgens het Climate Accountability Institute. Dat is dan wel inclusief de Scope 3 uitstoot. Volgens het GreenHouse Gas Protocol zijn er 3 scopes (terreinen). Het eerste terrein omvat alle directe emissies. Onder het tweede terrein valt de CO2-uitstoot van de toeleveranciers en onder derde terrein de uitstoot van de afnemers. Aangezien het product van de Koninklijke bestaat uit fossiele brandstoffen is het niet zo verwonderlijk dat het bedrijf dankzij haar klanten de zevende plek in neemt. Alle twintig grootste vervuilers zijn olie- of kolenmaatschappijen. We kunnen die bedrijven vragen om minder uit te stoten, maar dat betekent toch vooral dat we zelf minder kolen, olie en gas moeten verstoken. Toch hebben zeven stichtingen en verenigingen en ruim 17.000 individuele eisers een rechtszaak bij de rechtbank Den Haag gewonnen tegen Royal Dutch Shell. Het bedrijf moet de CO2-uitstoot (inclusief scope 3) eind 2030 terugbrengen tot 45 procent ten opzichte van het niveau 2019. Niet alleen Shell, maar ook de toeleveranciers en de afnemers moeten de CO2-uitstoot verminderen. Shell moet volgens de rechter dus binnen tien jaar de helft minder olie en gas verkopen. De rechter komt tot deze conclusie op basis van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm en in acht nemende dat ook bedrijven mensenrechten moeten respecteren. Volgens de rechter heeft het bedrijf zelf een resultaatsverplichting, ondanks het feit dat Shell niet het klimaatakkoord van Parijs heeft ondertekend. Wel ondersteunt Shell de ambitie van Parijs. Voor de toeleveranciers en de afnemers van Shell (wij allemaal) geldt een zware inspanningsverplichting voor Shell. Overigens is het niet zo dat Shell deze verplichtingen nu al schendt, maar er is wel een dreigende schending van de reductieverplichting. Conclusie van de rechter is dat het concernbeleid moet worden aangescherpt. Het is de eerste keer dat een rechter zo’n vergaande uitspraak doet. De rechter geef zelfs aan dat het belang van CO2-reductie hoger is dan de commerciële belangen van Shell. Deze uitspraak is een opmaat naar meerdere rechtszaken tegen andere vervuilers.

Nu doet Royal Dutch Shell vergeleken met de andere energieproducenten erg haar best, ze heeft in ieder geval een plan voor de energietransitie. Dat kunnen de Arabieren, de Russen en zelfs de Chinezen niet zeggen. Op het moment dat door deze uitspraak Shells concurrentiepositie verslechtert, zorgt dit voor een vertraging in de energietransitie. Beter is om Shell te belonen voor haar inspanningen. Alleen dankzij bedrijven als Shell is de energietransitie mogelijk. Die beschikt immers over de forse kasstromen, heeft kennis van grootschalige projecten en heeft een leger ingenieurs in dienst. Het is ook in het belang van Shell om voorop te lopen op het gebied van de energietransitie. Bedrijven die vooroplopen, krijgen een hogere waardering op de beurs. Voor het eerst is de prijs voor een ton CO2 in Europa door de 50 euro per ton gegaan dit kwartaal. Dat betekent dat bedrijven met een relatief lage ‘carbon footprint’ in het voordeel zijn. Shell is al groot in aardgas en dat heeft een lagere uitstoot dan andere fossiele brandstoffen. Hopelijk dat Shell deze uitspraak interpreteert als een stevige duw in de juiste richting. Dan is dat niet alleen goed voor de bestrijding van de klimaatcrisis, maar ook voor andere stakeholders, niet in de laatste plaats de aandeelhouders.

Zoals zo vaak ligt het echte probleem bij de afnemers. Het is ook niet eenvoudig. Veel mensen zijn tegen de negatieve effecten van globalisering, maar lopen elke zaterdag met twee boodschappentassen vol geglobaliseerde boodschappen de supermarkt uit. Die mensen die een elektrische auto rijden denken op tijd een aflaat te hebben gekocht. Helaas, zonder elektrische auto’s zouden de laatste vier kolencentrales in Nederland dicht kunnen. De verbranding van steenkool stoot drie tot vijf keer zo veel CO2 uit als andere fossiele brandstoffen. Nog even wachten dus.  Door de coronacrisis leek het even de goede kant op te gaan. Er werd minder gereden en veel minder gevlogen. Inmiddels is in Amerika het ‘driving season’ begonnen en ook Europeanen kunnen niet wachten om weer op vakantie te gaan. Waarschijnlijk zal de vraag naar olie in het derde kwartaal weer uitkomen boven de 100 miljoen vaten per dag. Dat is gelijk aan de vraag voor de coronacrisis. Als er al sprake is van een energietransitie, dan is die in ieder geval nog niet zichtbaar in de vraag naar olie.

De olieprijs wordt bepaald door vraag en aanbod. Er zijn op dit moment enkele landen die minder produceren dan ze zouden kunnen. Saoedi-Arabië produceert 1,5 tot 2 miljoen vaten per dag minder, Rusland 1 miljoen en Iran 1,5 tot 2 miljoen. De Iraanse reductie hangt samen met de sancties. Rusland en Saoedi-Arabië volgens het beleid van de OPEC. Mogelijk dat de sancties tegen Iran door een nieuwe overeenkomst tussen Iran en de Verenigde Staten worden versoepeld, maar zeker is dit niet. In de Verenigde Staten is de productie teruggelopen van 13 naar 11 miljoen vaten per dag, in Venezuela zelfs van 3 miljoen naar 500.000 vaten per dag. De productie in Canada groeit, maar de bottleneck is hier de capaciteit van de pijpleidingen. Oliemaatschappijen staan niet echt te springen om te investeren, mede veroorzaakt door het klimaatdebat. Tegenover deze aanbodfactoren staat de groeiende vraag door het opengaan van de economie. Vooral in de Verenigde Staten en Europa wil de consument er wel eens op uit. In Azië leeft in enkele landen het virus op en dat kan voor vraaguitval zorgen. Bovendien heeft China vorig jaar uitgebreid geprofiteerd van de lage olieprijs door extra voorraden aan te leggen. Per saldo lijkt de olieprijs verder te kunnen stijgen.

Het gewicht van de traditionele oliebedrijven op de beurs is sterk afgenomen. Eerder deze eeuw bestond de S&P 500 voor meer dan 15 procent uit oliemaatschappijen, nu is dat circa 2,5 procent. Het kan verkeren. In navolging van tabak zijn veel institutionele beleggers (pensioenfondsen) hun posities in oliemaatschappijen aan het verkopen. Die beleggers profiteren niet meer van de energietransitie binnen deze bedrijven. Dat biedt mogelijk kansen voor andere beleggers, maar alleen als de oliemaatschappijen volop oog hebben voor de groene agenda. Het ideaal voor een belegger is een traditioneel ondergewaardeerd oliebedrijf, dat nu vol inzet op de energietransitie. Niet langer uitsluitend fossiel, maar alle energie.

Auréus
Han Dieperink
CCO

Deel dit artikel:

Bekijk ook:

Menu